zondag 14 augustus 2011
Boekhouding
Als biseksueel moet je goed kunnen rekenen, zeker als je eenmaal uit de kast bent. Mensen zien, nee, verwachten dat je van twee wallen eet. Goed bijhouden dus, wanneer je mannetjes en vrouwtjes scoort.
Voor mij is dat een probleem. Ten eerste omdat ik slecht in cijfers ben. Mijn vroegere wiskundeleraar was daarom zo aardig mijn repetities met letters te waarderen. Ik kreeg vaak een KDDW, het een-na-laagste. Dit Kind Doet De Was betekende dat het een hele prestatie was om zo’n overhoring te verkloten. Als een repetitie echt mis ging, dan bedankte hij me voor de moeite van het bijwonen met een genadeloos BVDM.
Mijn tweede probleem is dat ik laat ontdekte biseksueel te zijn. Dat viel samen met de aanloop naar een midlife crisis. Bijna manisch begon ik een boekhouding van mijn hetero- en homoherinneringen aan te leggen, in de hoop zekerheid over mijn geaardheid te krijgen.
Zo reageerde mijn piepie wel op Gabriele Sabatini. Voor de veertigminners: zij was een knappe tennister met mannelijke kaaklijn en dito schouders. Ik keek met open mond naar de schoonheid van de travestiet uit de The Crying Game. Dieper en onrustiger was mijn gevoel bij het gay liefdesdrama in Torch Song Trilogy. Maar, de uitdossing en de liedjes van bands als Soft Cell en Frankie goes to Hollywood ontgingen mij weer totaal. ‘Wat een schimmige types’, dacht ik. Van Jimmy Sommerville heb ik lang gedacht dat hij een zingend mongooltje was die door een slimme muziekmanager onder zijn hoede genomen was. Verwarrend was ook dat ik vroeger Abba leuk vond, hartstikke gay. Uit onweerlegbaar dagboekbewijs bleek evenwel dat ik smoor op Agnetha was. Niet op Björn of Benny.
Natuurlijk werd die boekhouding een flop. Geen doen voor een biseksueel, want het sommetje klopte nooit. Nadat ik ook nog eens van een veteraan leerde dat bij bi´s hun voorkeuren elkaar afwisselen, heb ik het scorebord weggedaan. Gewoon verdragen wat ik voel. Scheelt een boel frustratie.
maandag 1 augustus 2011
Prikangst
Ik heb lang geaarzeld om meer dan handwerk met mannen te doen. Vaccinaties doen mij namelijk flauwvallen. Kleine prikjes maak ik nog wel bewust mee, bij grotere prikken kan ik beter zitten. Of liggen.Pulp Fiction had ik met mijn fobie nooit mogen zien. Bij de dokter ben ik een vader van niks. Zo presteerde een zoon het eens om zijn witte kleren onder te bloeden. En flink ook. Hij wilde in onze speeltuin wisselen met een collega wipwapper. Die stapte sneller af dan hij verwachtte. De terugverende balk maakte een klein, maar diep sneetje in zijn wenkbrauw. Alsof hij een vuurpeloton overleefd had, wankelde de zoon de keuken in. De huisarts was laconiek. Twee haaltjes met draad en naald en hups! lekker verder spelen. Omdat hij vond dat jongens ook gevoelens hebben, gooide hij er nog een verdovinkje van de zaak tegenaan. Dat was teveel voor mij en weg was ik. De meeste recente ervaring was bij een orthopeed. Die constateerde een bevroren schouder. Prima te verhelpen met fysiotherapie, maar niet zonder eerst een injectie. “Nou, dan maken we toch een nieuwe afspraak,” mompelde ik. Dat vond de arts onzin. Het was immers een babyspuitje dat in drie tellen gezet was, terwijl hij in het naastgelegen kamertje al rommelde in een koelkast. Voordat ik het besefte greep hij ineens stevig mijn nekvel. Maar goed ook, want terwijl hij toestak begon ik zachtjes van het krukje te glijden. Nog één hepa-prikje en dan ben ik van de GGD af, dacht ik. Fout, want er zijn nog andere enge ziektes waarvoor de GGD graag bloed prikt. Elk half jaar. Misschien moet ik maar weer de kast in totdat mijn fobie verholpen is.
Abonneren op:
Posts (Atom)

